In mijn tienerjaren vond ik de Bijbel en het Christendom maar een beetje benauwend. Zoveel regeltjes en wetten. En leuke dingen? Die zijn natuurlijk allemaal verboden. Ik had het idee dat serieus Christen worden mijn 'vrije' leven aan banden zou leggen en stelde de keus voor Jezus steeds uit.
Ondanks dat ik zeker niet in een 'zware' kerk ben opgegroeid, waren de Tien Geboden wel een onzichtbare leidraad in ons gezin. Het tiende gebod vond ik altijd maar moeilijk: Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is. Je mag ook niks...
Na mijn bekering begon ik pas te zien dat die woorden geen beperking inhielden, maar juist een uitdaging. Een uitdaging om erachter te komen wat we dan wel mogen begeren. Nee, niet de spullen van mijn naaste dus... maar juist die dingen die God voor mij heeft weggelegd.
Heb je 't ooit zo gelezen? Het is destijds de insteek van mijn Engelstalige boekje My Neighbor's House geworden. Ga op zoek naar de juiste begeerten. In Marcus 11:24 staat: Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. Het zal duidelijk zijn dat dat niet over de spullen van de buren gaat. Maar waarover dan wel?

